Piershil door de jaren heen – De ziekten

In 1975 werd rondom het 450-jarig bestaan van het dorp Piershil een reeks artikelen gepubliceerd in de krant (‘het Hoekschewaardje’) van 11 juni. In vijf delen werd in vogelvlucht de geschiedenis van het dorp Piershil beschreven. In deel 3 was het onderwerp: de ziekten.

Knipsel ‘De ziekten’ – 11 juni 1975

In de loop der jaren is het dorp Piershil niet gespaard gebleven voor kleine en grotere „rampen”. Het meest werd het dorp getroffen door epidemieën. Meester Willem van der Hoek, schoolmeester van 1734-1757 vermeldde in 1752 maar liefst 21 doden. Ze waren gestorven aan de pokken, een in die tijd zeer gevreesde ziekte waartegen weinig was te doen. Tien jaar eerder had de ziekte het dorp ook al geteisterd. In 1886 viel het dorp ten prooi aan een cholera-epidemie. Ditmaal konden de zieken rekenen op de hulp van dokter J. A. Kleijnenberg. Deze kundige arts kon het dorp voor sterfgevallen behoeden, al zijn patiënten werden gered. Maar het eiste wel een zeer hoge tol, want op 21 september stierf hij zelf aan deze ziekte. In 1901 brak er typhus uit. Er werden soldaten in het dorp gelegerd om de zieken te verplegen. Er was slechts één sterfgeval te betreuren. Tien jaar later brak de ziekte opnieuw uit, ditmaal bleek het hele dorp te zijn besmet. Om verdere besmetting zoveel mogelijk tegen te gaan werden er barakken geplaatst buiten het toenmalige dorp, aan de Stationsweg. Daar werden de ernstig zieken en anderen, waarvan de verpleging thuis bezwaarlijk was, verzorgd. Gelukkig waren er geen sterfgevallen.

En na de typhus kwam de difterie. In de winter van het zelfde jaar werden verschillende inwoners door deze ziekte bezocht, er vielen echter geen slachtoffers. De alom heersend* Spaanse griep eiste in 1918 twee doden. Daarna werd Piershil slechts eenmaal meer bezocht door een epidemie. Dat wan de alastrim, een ongevaarlijke poppenziekte die niet dodelijk was. Maar ziekten werden als iets volkomen normaals beschouwd. Het leven ging gewoon door, vandaar dat degene die net hersteld was, luidruchtig werd begroet in een van de vier café’s die Piershil in 1908 telde. Bij de weduwe Witvliet, een café dat later door B. Bijl werd overgenomen en dat op de hoek van de Voorstraat en de Sluisjesdijk stond, kon men op zijn gemak een pintje drinken. Het café werd in 1963 afgebroken. Datzelfde kon bij Pl. Roozendaal, die zijn etablissement had gevestigd in het voormalige tramstation. Goed toeven was het ook in „’t Lantaarntje”, een klank die bij de Piershillenaren nog steeds bekend in de oren klinkt, omdat het café nog steeds bestaat. Dat is echter niet meer het geval met .,De Roode Leeuw”, een eeuwenoud café dat te vinden was op de driesprong Sluisjesdijk, Kosteverlorendijk en Zwartsluisje. Het gebouw, dat reeds in 1600 als herberg aan vermoeide passagiers plaats bood, werd in de vijftiger jaren gesloopt. De oorspronkelijke herberg diende als wachtverblijf voor passagiers die overvoeren naar De Coorndijk of naar andere plaatsen. De herberg heette in die tijd „De Schenckanne” en werd geleid door Jacob Jacobszoon van der Esch.

piershil-vroegertijden-deel3-1 piershil-vroegertijden-deel3-2

Updated: februari 12, 2015 — 11:40 am

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.