De landbouw zoals het was – Deel 1

Dit artikel is gepubliceerd in de Hoeksche Waard Exclusief van 26 januari 2021 (website HWE). U kunt dit artikel downloaden in PDF-formaat: hwe-jan2021-landbouw-deel1

Uit de archieven…

De landbouw zoals het was – Deel 1: Van aardappelen tot koolzaad. 

In 1974 schreef Juffrouw ’t Hart, oud-lerares op de Openbare Lagere School te Piershil, in haar dagboek een artikel over de landbouw in Piershil. Het geeft een mooi beeld hoe deze sector zich binnen de Hoeksche Waard ontwikkelde, met een beschrijving van de diverse landbouwaspecten en producten uit de twintigste eeuw. 

Zie ook: De landbouw zoals het was; Deel 2

Het werk op het land is nu, in 1974, heel wat eenvoudiger dan 60 jaar geleden. Toen gingen alle werkzaamheden nagenoeg met de hand. Het begon in de herfst met het ploegen. Stevig hield de boer zijn ploeg, door twee paarden getrokken, in de hand. Kaarsrechte voren trekkende. In zware grond moesten vaak vier of zes paarden voor de ploeg gespannen worden. In het voorjaar werden de kluiten fijn gemaakt met de eg. Daarna strooide de landman het zaad in de akker. Oorspronkelijk met de hand, later met de zaaimachine. Na het zaaien ging het rolblok over het land om het uitdrogen te voorkomen. Het land moest ook nog bemest worden. Eerst gebruikte men stalmest, later werd dat kunstmest, o.a. super en zwavelzuur. De suikerbieten en de aardappels kregen ook nog chilisalpeter als overbemesting. Het onkruid, dat gelijk met het gezaaide opkwam, moest met de hand gewied worden. Alle producten hadden een bepaalde tijd van zaaien, zo ook van oogsten. De landbouw is nog belangrijk; de veeteelt is de laatste jaren achteruit gegaan, evenals de fruitteelt. Door de mechanisering van de landbouw zijn er minder werkkrachten nodig.

1935, één van de eerste tractoren in Piershil. Achter het stuur zit Jacob van Bergeijk, op de ploeg zijn broer Adam. 

De aardappelen

In het voorjaar werden de aardappelen gepoot. Met een spa maakte men een kuiltje in de grond, waarin de aardappel gelegd werd. Een paar soorten, die nu verdwenen zijn waren de Jannen en de Bravo’s. Als de aardappelen boven de grond kwamen, werden ze aangeaard met een aardappelploeg. Dat was een kleine ploeg, waarmee men in de rijen staande aardappels aanaardde, zodat de grond opgehoogd werd om de wortels te bedekken. Eind augustus begon de oogst. De aardappelen werden gedolven met een spa, later met een riek met platte tanden. Ze werden van het lof geschud en in de mand gedaan. Was er een perceel gedolven, dan begon het tonnen. Dat was eigenlijk meten met een ton (hl) hoeveel aardappelen iedere familie gedolven had. Aan deze werkzaamheden nam de hele familie deel. De man dolf de aardappelen, de vrouw en de kinderen moesten ze oprapen en naar de hoop brengen. Daarvoor kregen de schoolkinderen omtrent 1920 zes weken landbouwverlof, aansluitende aan de drie weken zomervakantie. Na het tonnen werden alle aardappelen aan een hoop gegooid. Die hoop was soms wel honderd meter lang. Daar werden ze afgedekt tegen de regen en later tegen de vorst. Eerst kwam er een laag stro op, vervolgens een laag aarde. Was er vorst op komst, dan gingen de aardappelen onder het winterdek. Er kwam dan een dikke laag stro en vervolgens weer aarde over de hoop. Door het wegscheppen van die grond kwam er rond die aardappelhoop (de pit of ook wel de ‘erpelpit’) een geul, waarin het regenwater kon afvloeien, zodat de aardappels droog bleven. Het lof, dat zijn de stengels en de blaren, werd verbrand.

De erwten

In het voorjaar, rond maart, werden de erwten gezaaid. In juli moesten ze geoogst worden. Daarvoor gebruikte men een zicht en een pikhaak. Een zicht was een kleine zeis met een korte steel en een handvat aan ’t eind. Daarmee werden de erwten afgesneden. Met de pikhaak trok men de planten bij elkaar. Vervolgens werden de erwten op ruiters gestoken, om te drogen. Ruiters waren stellages, bestaande uit stokken, die van boven met ijzerdraad aan elkaar bevestigd waren. Men gebruikte 3 poot- en 4 poot ruiters. Waren de erwten goed droog, dan werden ze op de wagen geladen en naar de schuur gebracht. Daar vond in de winter het dorsen plaats. De erwten werden op de dorsvloer uitgespreid. Met de dorsvlegel werd er op geslagen, zodat de erwten uit de peulen vielen. De erwten kwamen in de handel voor consumptie. Ze werden ook door de molenaar gemalen tot veevoer, voor koeien en varkens.

Erwten ruiteren

De paardebonen

Bij gunstig weer werden de paardebonen gezaaid in februari. Dat gebeurde met een zaaituit en werd tuiteren genoemd. Daarvoor waren twee mannen nodig. Eén man moest ploegen. Door dat ploegen ontstond een geul, voor (een veurtie) genoemd, waarin zijn maat met de zaaituit de paardebonen strooide. Dat ging zo de meet rond, dat is een stuk land tussen twee greppels. Bij de volgende ronde viel de omgeploegde aarde op de bonen en werden weer bonen in de nu gemaakte voor of vore gestrooid. Als het hele land bewerkt was, ging men er lichtjes over met de eg. Bij het oogsten gebruikte men de sikkel (hier noemen ze dat werktuig een zekel). Door middel van graanstro werden de bonen opgebonden tot schoven. Die schoven werden op hopen gezet tot ze droog en rijp waren. Vervolgens werden ze in de schuur opgetast en later gedorst met de vlegel. De bonen werden in de molen gemalen tot veevoer. Het stro diende tot strooisel in de stal en ook wel voor veevoer.

Bonen plukken, de families van Prooijen en Buitendijk.

Het koolzaad

Het oogsten van het koolzaad kwam het eerst aan de beurt. Als het rijp was, werd het afgesneden met een sikkel. Op het land was een groot kleed uitgespreid. Met een zaadslede werd het afgesneden koolzaad naar dat kleed gebracht. Op die zaadslede lag een burrie met een kleed er op, om het zaad op te vangen, dat, als het koolzaad goed rijp was, gemakkelijk uit de hauwtjes (vruchten) viel Het koolzaad werd op het zaadkleed uitgespreid. Om het te dorsen liet men er paarden over lopen, zodat het fijne zaad op het kleed viel. Met een gaffel werd het stro geschud, opdat er geen zaad verloren zou gaan. Het stro werd er afgeharkt met een houten hark en daarna werd het zaad met de omgekeerde hark op een hoop geschoven. Het zaad ging in zakken naar de schuur, waar het geschoond werd met de zeef en de windmolen. Later werd het in de fabriek verwerkt tot raapolie en veevoeder (raapkoeken). Gezuiverd levert de raapolie patentolie, die vroeger wel in lampen gebruikt werd. Het stro werd op het land verbrand. De op het land staande stoppels werden uit de grond getrokken en dienden tot stooksel in de open haard.

Na de laatste bewerking op het land werd rijkelijk getrakteerd op bier en sterke drank. De oorzaak van dat feest was het oogsten van het eerste product in het jaar. Bij het uitbreken van de oorlog 10 mei 1940 stond in de Noordpolder bij het Spui een groot veld met koolzaad in de bloei. Dat koolzaad moest afgesneden worden uit vrees voor de vijand, die daarin wellicht verborgen kon zijn.

Volgende keer in deel 2 (slot): De suikerbieten, het koren en het vlas.

De dagboeken in het museum

Dit artikel is gebaseerd op één van de dagboeken van Juffrouw ’t Hart. Ze schreef diverse boeken vol, over oorlog, watersnood, kleding, leefomstandigheden en haar passie: onderwijs. Na haar overlijden zijn de dagboeken geschonken aan het Museum Hoeksche Waard, op afspraak zijn deze te raadplegen in de leeszaal.

 

Een arbeidsintensieve pauze.

Updated: maart 25, 2021 — 8:01 am
  1. wat een geweldig stuk ik heb nog bij haar school gegaan

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.