Oriëntering van kerkgebouwen (door drs. J.P. Bijl)

Oriëntering van kerkgebouwen – door drs. J.P. Bijl, Strijen.

Het is nacht in het polderlandschap. Slechts de schrille kreten van jagende kerkuilen verbreken nu en dan de doodse stilte. De uren verstrijken. Langzaam komt er verandering aan de horizon. In het oosten wordt een streep licht zichtbaar, die onweerstaanbaar het donkere gordijn van de nacht wegschuift. De horizon kleurt rood, geel en blauw. Het daagt in het oosten. De rode bol van de zon verheft zich boven het slapende landschap. Niet de mensen worden als eerste uit hun slaap gewekt. De haan zet kraaiend in en dan zingen de andere vogels hun vrolijke morgenzang op de aanbrekende dag. Het koor van het kerkgebouw bevindt zich aan de oostkant. De zon zet het koor in vuur en vlam en hult de rest van het kerkgebouw in haar schaduw. Door de hoge ramen van het koor valt het licht naar binnen en maakt alles zichtbaar wat daar noodzakelijk aanwezig is. Zo was het eeuwen geleden. Zo is het nog steeds in de oude kerkgebouwen. Is iedereen zich ervan bewust? Nee! Maar je kunt er wel oog voor krijgen. Is het toevallig? Nee, het is niet toevallig. De oosting van de kerkgebouwen heeft een historische achtergrond en een symbolische betekenis. We dwalen door het Hoeksche Waardse landschap. Onderweg zien we de torenspitsen van de oude dorpskerken zich boven de dorpen verheffen. We gaan op een vroege morgen een kerkgebouw binnen. We zien met eigen ogen hoe licht van de morgenzon haar stralen vanuit het oosten het kerkgebouw in sproeit.

Oud principe

Het werken met het principe van de west-oostlijn, het oriënteren op het oosten of het toepassen van de oosting, is al heel oud, zelfs veel ouder dan het Christendom. Er was altijd een beleving van de zon als licht- en warmtebrenger, die dagelijks opnieuw verschijnt en van cruciaal belang is voor het voedsel en het leven op aarde. In de meeste religies speelt de zon een hoofdrol en wordt ze als god vereerd. Diverse schrijvers uit de antieke oudheid noemen het gebed jegens de opkomende zon, als noodzakelijk voor het welslagen van een veldslag of een andere belangrijke gebeurtenis. Onder farao Achnaton (p.m. 1350 v.Chr.) werd in Egypte de verering van de ‘aton’ bevorderd. Het woord ‘aton’ was de aanduiding voor de zichtbare zonneschijf. De zogenaamde aton-hymne wordt aan deze farao toegeschreven:

“Prachtig verschijnt u aan de horizon van de hemel, levende Aton, grondslag van het leven. Wanneer u aan de oostelijke horizon opkomt, dan vervult u ieder land met uw schoonheid.”

Er zijn overeenkomsten in dit lied met psalm 104:

“Prijs de Heer mijn ziel, Heer, mijn God, hoe groot bent U. met glans en glorie bent U bekleed, in een mantel van licht gehuld.”

Maar het grootste verschil is dat in de aton-hymne de zonneschijf als god wordt aanbeden, terwijl in psalm 104 God zich hult en manifesteert in de zon, maar daar niet aan gelijk is. In het Romeinse Rijk kwam in de 2e eeuw n.Chr. steeds meer aandacht voor de Sol Invictus, de onoverwinnelijke zon, die als god werd aanbeden. Na de veldslag bij de Milvische Brug (bij Rome) werd keizer Constantijn in 312 alleenheerser van het Romeinse rijk. Eusebius van Caesarea (p.m. 260 tot 340), de eerste kerkhistorieschrijver, licht ons in over het visioen dat keizer Constantijn kort voor de slag bij de Milvische brug had: “Terwijl hij in gebed was, zond God hem midden op de dag een visioen over een lichtend kruis aan de hemel met de belofte – in hoc signo vinces: in dit teken zul je overwinnen.” Constantijn gaf daarna alle ruimte aan het Christendom, maar liet niet al zijn oude gedachten los. Hij was en bleef een groot vereerder van de zon. Hoewel de vormen bleven, veranderde de inhoud. Dit wordt adaptatie genoemd en gaf aan een bestaand feest of gebruik een nieuwe betekenis. Op de eerste dag van de week stond Christus op en deze dag werd voor de christenen belangrijker dan de zevende dag van de week, de joodse Sabbath. In het boek Openbaring wordt deze dag voor het eerst ‘de dag van de Heer’ genoemd (Openb. 1:10). Later kreeg deze ‘eerste dag van de week’ of ‘dag van de Heer’ de naam ‘zondag’ waarmee de dag van de opstanding van Christus ging samenvallen met de ‘dies Solis’, de dag die aan de zonnegod Helios was gewijd. Er vond ook adaptatie plaats bij het geboortefeest van Jezus (kerstfeest). De herdenking en viering kwamen pas in de tweede eeuw op gang. Na de bekering van keizer Constantijn werd het geboortefeest gehecht aan het al bestaande feest van de Sol lnvictus op 25 december, de dag van de winterzonnewende, als de zon weer aan kracht wint en haar onoverwinnelijkheid bewijst. Dr. J. Buysens concludeerde over het christenzijn van keizer Constantijn: “Zo zien we

dat hij vanaf 324 de cultus van de christenen als zijn persoonlijke godsdienst gaat propageren maar niet als de officiële godsdienst van het Romeinse rijk. Hier ging hij echter wel naar streven. Niettemin vinden we ook diverse bronnen waarin hij verbonden wordt met de hoogste zonnegod. Dat Constantijn tijdens de eerste jaren van zijn heerschappij van het westelijk Romeinse rijk experimenteerde met het syncretisme tussen deze twee lijkt een zeer plausibele aanname, een vermenging die overigens al voorkwam. We zien immers dat ook christenen in deze periode en ervoor de zon en christus gaan vergelijken.”

Afbeelding 1 (klik op de afbeelding voor vergroting).

Dit is een detail van een mozaïek aan het plafond van het graf van Julli (Mausoleum “M”) in de necropolis van het Vaticaan in Rome. Het mozaïek verbeeldt Christus als de zonnegod Sol Invictus, staande in een strijdwagen getrokken door twee witte paarden. Om Christus als de belangrijkste figuur op het mozaïek af te beelden, was hij groter dan de twee paarden die aan zijn strijdwagen trokken.

Er zijn geleerden die twijfelen of dit een afbeelding van Christus is. Maar de wijnbladeren, zijn gerelateerd aan de ware wijnstok (Johannes 15:1) en andere mozaïeken in deze tombe vertonen bovendien de beeltenis van Jona en de walvis, de goede herder met een lam en vissers. Dit versterkte de interpretatie ervan als het graf van een christen met afbeeldingen in Bijbelse motieven.

Gebedsrichting

De joden richtten zich bij hun gebed in de richting van Jeruzalem. We kennen dit uit het verhaal van de joodse balling, Daniel, die driemaal per dag zijn gebed uitsprak voor de geopende ramen van het bovenvertrek van zijn huis, die zicht gaven op de genoemde stad. (Daniël 6:11). De christenen die uit de joden afkomstig waren, bleven zich nog lange tijd bij hun gebeden naar Jeruzalem, waar hun enige en unieke tempel stond, wenden. De christenen die uit de Gojiem, de andere volken, voorkwamen, waren voor hun bekering gewend om zich bij hun gebed naar het oosten, naar de opkomst van de zon, te wenden. Zij bleven trouw aan die richting, maar gaven uiteraard een christelijke inhoud aan hun gebeden en een christelijke interpretatie aan de richting waarin ze werden opgezonden. De bekende kerkvader Tertullianus schreef een ‘Apologeticum’ ter verdediging van het christendom. Hij schrijft dat hij geen bezwaar heeft tegen het feit dat het christelijk gebed uitgesproken in oostelijke richting lijkt op het ceremonieel van de zonnecultus, want dat dit beslist niet dezelfde inhoud en strekking heeft. In de ‘Didascalia Apostolorum’, een omstreeks 250 in Syrië opgestelde regelgeving voor christelijke kerken, wordt voorgeschreven dat men zich tijdens het gebed naar het oosten moet keren. Er zijn twee motieven voor de keuze van gebedsrichting naar het oosten: de hemelvaart van Christus en de toekomstige wederkomst. Volgens Dölger werd de hemelvaart in de overlevering niet gezien als een loodrecht opstijgen, maar als een schuin naar boven in oostelijke richting opklimmen of wegzweven. Men vond beide motieven in Handelingen 1:11, waarin engelen na de Hemelvaart van Jezus tegen de discipelen zeggen: “Galilese mannen, wat staat gij daar en ziet op naar de hemel? Deze Jezus, die van U opgenomen is naar de hemel, zal op dezelfde wijze wederkomen als gij hem ten hemel hebt zien varen.”

De richting van de Wederkomst werd bovendien aangegeven in Openbaringen 7:2, waar Johannes, verbannen op het eiland Patmos, schrijft: “En ik zag een andere engel opkomen van de opgang der zon, hebbende het zegel van de levende God.” Deze engel is de voorbode van de wederkomst van Christus.

Aan de twee genoemde motieven werd in de tweede helft van de vierde eeuw geleidelijk aan nog een derde bijbels motief toegevoegd: het paradijs. De richting werd weergegeven in Genesis 2:8: “Voorts plantte de Here God een hof in Eden, in het Oosten.” Met dit derde motief werd uitdrukking gegeven aan het verlangen naar het in het oosten gesitueerde Paradijs. Er was immers temidden van alle aardse tegenspoed en ellende een heimwee naar het paradijs, het ‘oude vaderland’ en het verlangen naar de nieuwe aarde. Van Johannes Damascenus in de eerste helft van de 8e eeuw tot Thomas van Aquino in de tweede helft van de 13e eeuw zijn de argumenten voor het gebed in de richting van de opgaande zon steeds opnieuw herhaald, aangevuld, gerangschikt en bevestigd. Wat was de gebedshouding daarbij? Onder de oude volken van het Nabije-Oosten, de Grieken, de Romeinen, de joden (vb. Psalm 63:5) en christenen was het gewoonte om bij het gebed omhoog te kijken en de handen uit te breiden. Kerkvader Tertullianus schreef: „Wij kijken als christenen omhoog en bidden met uitgebreide handen.” Hij voert zelfs de dieren aan als bewijs voor deze gebedshouding: “En zelfs de vogels als zij in de vroege morgen ontwaken, richten zich omhoog naar de hemel en breiden in plaats van handen het kruis van hun vleugels uit en zingen iets als een gebed.” 

Een huis voor het gebed.

In de beginperiode verzamelden de christelijke gemeenten zich elke week op de avond van de eerste dag van de week, in het woonhuis van een gemeentelid.  Het Nieuwe Testament geeft daarvan voorbeelden. Wanneer de dag van Pinksteren aanbreekt, zijn de discipelen bijeen in een woonhuis (Hand. 2:2). Wanneer Paulus in Troas is, verblijft hij daar in een woonhuis. De gemeente is hier bijeen, het brood wordt gebroken en Paulus spreekt tot middernacht in de bovenzaal waar lampen branden. (Hand. 20: 7-12) Dura-Europos was een Romeinse grensvesting op de westelijke oever van de Eufraat. De stad is opgegraven en men vond een woonhuis dat in of na 232 als kerk is ingericht. Het is redelijk gaaf bewaard gebleven en geeft ons een indruk van de indeling en de inrichting van een domus ecclesiae, een huis der samenkomst. Het is het enige kerkhuis uit de periode voor keizer Constantijn dat bewaard is gebleven. Na de bekering van keizer Constantijn verrezen overal in het Romeinse rijk kerken. Kleine zaalkerkjes, maar ook grote basilieken. Ook werden veel bestaande gebouwen tot kerk omgebouwd en ingericht, zoals: woonhuizen, overheidsgebouwen, badhuizen, theaters, kazernes en zelf tempels. Daarbij was de oriëntatie of oosting vaak niet mogelijk. Nieuwe kerken werden meestal in west-oostelijke richting gebouwd, maar de plaats van het altaar verschilde. Bij een ingang aan de oostzijde, stond het altaar dichtbij de westelijke sluiting; was de ingang in het westen, dan stond het altaar in het oosten. Er was hierbij verschil tussen de oosterse en de westerse kerk, maar sinds de zesde eeuw is de oriëntatie van de absis (koorruimte) met het altaar in het oosten ook in de Westerse Kerk gemeengoed.

Het exacte oosten met behulp van het kompas

Waar is het exacte oosten en hoe bepaal je dat? De chinezen hebben zo’n 4000 jaar geleden een kompas ontwikkeld dat gericht was op de zuidpool. De oudste Europese vermelding van een kompas stamt uit 1187. In de late middeleeuwen werd het kompas gebruikt om het Noorden te bepalen, maar nog steeds was de zonsopgang maatgevend voor de oosting van de kerk. Maar welke zonsopgang wordt bedoeld? De Augsburger bouwmeester Lorenz Lechler schreef in 1516 voor zijn zoon Moritz: “… je wilt een koor (absis) maken … zo neem een kompas, zet deze op de winkelhaak en laat de magneet op de middaglijn staan. (noot: winkelhaak, (een werktuig bedoeld om rechte hoeken uit te zetten). Er is een hypothese dat het gebruik van het kompas al voor 1187 al in Europa bekend was en dat hiermee de aslijn naar het exacte oosten zou zijn bepaald. Maar hoe verklaar je dan de afwijkende aslijn? Wel, men veronderstelde dat dit veroorzaakt werd door de voortdurend wisselende afwijking van het magnetische noorden ten opzichte van het geografische noorden. Deze theorie was evenwel onvoldoende onderbouwd en wordt nauwelijks meer aangehangen.

Waar is het exacte oosten zonder gebruik het kompas

Het exacte oosten is daar waar de zon opkomt op de dag waarop dag en nacht even lang zijn, het begin van de lente en het begin van de herfst. In ‘Van Dale Groot Woordenboek der Nederlandse Taal’ staat over het oosten: “1. de kompas- of windstreek die 90° rechts van het noorden verwijderd is, het punt vanwaar de zon opgaat in de dag- en nachtevening; 2. het gedeelte van de gezichtseinder of van het uitspansel naar de kant waar de zon opkomt.”

Wat is bekend over het vaststellen van het exacte oosten voor de bouw van kerken uit de geschiedenis? Wilhelmus Durandus (p.m. 1230-1296) was bisschop van het Zuidfranse Mende. Hij schreef in 1296 het boek “Rationale divinorum officiorum”. Hij stelt daarin dat het ‘hoofd’ van de kerk (daar staat het altaar) naar het zuivere oosten moet wijzen. Durandus koos voor de equinox als moment voor het vaststellen van het exacte oosten en keurde de keus voor het solstitium af.

Ook Johannes Beleth (overleden 1202), theoloog te Parijs, schreef: “En het is ook absoluut noodzakelijk dat zij [dat is de kerk] naar het Oosten wordt gebouwd, dat wil zeggen naar de aequinoctiale zonsopgang; werkelijk niet tegenover de zomerzonnewende, zoals sommigen beweren en doen.”

Afbeelding 2 (klik op de afbeelding voor vergroting).

(Noot: 1. Equinox: (gelijke nacht) is een tijdstip in het jaar waarop de zon loodrecht boven de evenaar staat, de dag- en nachtevening, het tijdstip waarop de lengte van dag en nacht overal op aarde ruwweg gelijk is en komt de zon precies in het oosten op. Er vindt op aarde tweemaal per jaar een equinox plaats, namelijk op of rond 20 maart en op of rond 23 september.

  1. Solstitium: De zonnewende oftewel zonnestilstand is de gebeurtenis waarbij de zon, gezien vanaf de aarde, haar noordelijkste of zuidelijkste positie bereikt. De zon staat dan recht boven een van beide keerkringen: de Kreeftskeerkring in het noorden of de Steenbokskeerkring in het zuiden. De zomer- en winterzonnewende, waarbij de zon, gezien vanaf de aarde, haar noordelijkste of zuidelijkste positie bereikt).

Uit nader onderzoek blijkt dat er echter geen algemeen gevolgde gedragslijn bestond, die normatief was. H.G. de Olde was een kenner van m.n. Groninger kerken en schreef: “Evenmin mogen we aan hun (Durandus, Beleth e.a.) beschouwingen het bewijs ontlenen dat de door hen toegeschreven allegorische en symbolische betekenissen aan ontwerp en bouw van kerken ten grondslag lagen.”

Er was een hechte relatie tussen de oosting en de zonsopgang. Dus is de veronderstelling dat de dag waarop de aslijn van de kerk voor de oosting werd uitgezet, bepalend was voor de afwijking van het exacte oosten. Lag die dag in het ‘zomerse halfjaar’ (tussen lente-en herfstnachtevening), dan zou het kerkgebouw, afwijken naar het noordoosten; lag die dag in het ‘winterse’ halfjaar, dan richt de afwijking zich naar het zuidoosten. William Alexander Laurie gaf in 1859 een beschrijving van de werkwijze bij kerkbouw: “De plaats van het altaar werd door een stok in de grond gemarkeerd en er werd een dag afgesproken waarop de werkzaamheden zouden beginnen. De nacht voorafgaande aan de bepaling van de aslijn werd d.m.v. religieuze handelingen doorgebracht. Iemand wachtte op de zonsopgang; wanneer de zon geheel boven de horizon was verschenen, werd van de plaats van het toekomstige altaar een roede in de richting van de zon gelegd. Daarmee was de aslijn bepaald.” Verondersteld werd hierbij dat de richting van de lengteas van de kerk werd bepaald door de plaats van de zonsopgang op een gedenkdag van de patroonheilige der lokale kerk. Thijm vertelt dat men in Engeland, al 150 jaar eerder een mogelijke verklaring voor de afwijking in de heilige linie (aslijn van west naar oost in kerken) aangaf: “Het volk kwam ’s avonds voor het leggen van den eersten steen reeds bij elkaar, en dat was gewoonlijk de avond voor de feestdaags van den Patroon der kerk; men bracht de nacht in geestelijke oefeningen door, en op het oogenblik van den zonnen opgang bepaalde men de oostelijke richting.”

Otte geeft een authentiek voorval hiervoor in Duisland: “Den 12 Juli van het jaar 1050, legde

Keizer Koenraad II bij zonnen-opgang den eersten steen aan de kloosterkerk te Limburg an der Hardt. Daarna ging de Keizer naar Spiers, waar men den grond reeds omgegraven en alles tot de eerste stichting gereed gemaakt had, om nog den zelfden dag den grondsteen van den Keizersdom daar ter plaatse te leggen.”

De knik in de aslijn van het kerkgebouw.

De afwijking van de aslijn kon dus veroorzaakt worden door het moment waarop het exacte oosten aan de horizon werd vastgesteld of door de voortdurend wisselende afwijking van het magnetische noorden ten opzichte van het geografische noorden bij het gebruik van het kompas. Er is nog een derde verklaring aan de afwijking van het exacte oosten toe te voegen. H.G. de Olde schreef: “Anderen richtten hun aandacht op de asverschuiving, die kon optreden als bijvoorbeeld een nieuw koor aan een bestaand schip werd toegevoegd: de aslijn van de kerk vertoont dan een knik, het koor is iets meer naar het noorden of het zuiden gericht dan het schip.”

J.L. Van Daalen, stadsarchivaris van Dordrecht, schreef in 1927 een boek over de Grote kerk van Dordrecht. Hij vermeldt dat de architect G. N. Itz kwam tot een indeling van verschillende bouwfasen (van 1080 – 1420) door persoonlijke waarnemingen. Over de talloze verbouwingen en uitbreidingen van de kerk zegt hij: “Latere onderzoekingen en opmetingen door den rijksarchitect den heer Ad. Mulder hebben aangetoond, dat de bouw allerlei afwijkingen vertoont, die volgens sommigen op later aangebrachte veranderingen wijzen maar ook het gevolg van onnauwkeurigheid bij den bouw kunnen zijn. Zoo gaat de hartlijn van ’t gebouw niet juist door ’t midden, maar vormt bij de aansluiting van de viering aan het hooge koor een knik, wat echter ook door Itz reeds was opgemerkt. Het is de z.g. heilige linie, die symbolisch het hangend hoofd van Christus moet voorstellen.”

Maar, met de ‘Heilige Linie ’waarover Van Dalen spreekt, wordt niet de knik bedoeld. De ‘Heilige Linie’ is de naam voor de gehele aslijn die door de kerk loopt van west naar oost. Verder geeft Van Daalen als verklaring, dat afwijkingen ook veroorzaakt kunnen zijn door ‘later aangebrachte veranderingen’ of ‘onnauwkeurigheid bij de bouw’.

De oorzaak van de afwijking in de aslijn in het koor is door sommigen achteraf verklaard als een verandering van het patrocinium (patroonheilige van de lokale kerk), waardoor het moment van de oosting veranderde. Andere verklaringen waren: de onvolkomenheid van de Juliaanse tijdrekening, de lokale omstandigheden en de onnauwkeurigheid van de middeleeuwse bouwmeesters. De mogelijk symbolische betekenis van de afwijking in de aslijn (knik) vond vooral in de negentiende eeuw haar verdedigers: de afwijkende richting van het koor zou een afspiegeling zijn van het gebogen hoofd van Jezus aan het kruis, even voor hij stierf. Dit leidde tot de opvatting van de zogenaamde ‘weeping chancel, de huilende absis (koor)’. Het waren vooral Franse oudheidkundigen die deze opvatting aanhingen, maar ook de Engelse liturgen John Mason Neale en Benjamin Webb in hun ‘The symbolism of churches and church ornaments’. In 1905 is ze door R. de Lasteyrie in zijn ‘La déviation de l’axe des églises est-elle symbolique? (Parijs, 1905) overtuigend weerlegd. Ook Joseph Sauer in zijn ‘Symbolik des Kirchengebäudes und seiner Ausstattung in der Auffassung des Mittelalters’ en  andere Duitse schrijvers hechtten er geen geloof aan. Alec Clifton-Taylor in zijn ‘English Parish Churches as Works af Art’ (Londen, 1974) schreef: “Men kan er van uitgaan dat de weerlegging van zulke beweringen nauwelijks een voetnoot waard zijn, maar er is altijd het risico dat de lichtgelovigen meegesleept worden in zulke ex cathedra (belerende) beweringen.”

Afbeelding 3

In Brabant was binnen de Baronie van Breda al in 1912 door J. Kalf, directeur van het Rijksbureau voor de Monumentenzorg, onderzoek gedaan naar afwijkingen in de aslijn van kerken. K.A.H.W. Leenders schreef in 1981 een artikel over de afwijking van de aslijn in kerkgebouwen. Hij schrijft: “De door Kalf opgegeven kerkoriëntaties betreffen de voormalige Baronie van Breda. De meeste kerken in dat gebied zijn in de periode 1450-1550 vrijwel geheel herbouwd. Analyse van de afwijkingen ten opzichte van het oosten liet zien dat deze voor 22 kerken normaal verdeeld was, met een gemiddelde van 9° 50′ (= 9 graden en 50 minuten) ten zuiden van het ware oosten, en een standaardafwijking van l° 36′ in dat gemiddelde. Dat betekent dat de kans dat de fout-oriëntaties pure toevalsverschijnselen zijn (en dus niet reëel) geheel te verwaarlozen is.”

“De bouw van verschillende delen van een grotere kerk kan in de middeleeuwen in de tijd nogal ver uiteen liggen. Wanneer in de tussentijd het magnetische noorden vrij veel van richting veranderde, kan de bouwmeester van het nieuwe stuk kerk weleens een andere richting aannemen dan die van het al bestaande stuk. De kerk wordt dan „krom”, met het knikpunt op de las van twee bouwfasen.

Het is duidelijk dat de bouwmeester hier in twijfel kan staan over de vraag wat te doen: de vermeende fout van zijn voorganger corrigeren en een kromme kerk bouwen, óf de esthetische gevoelens laten zegevieren en een keurig rechte kerk afleveren. Bij Kalf vond ik maar één plattegrond die op een kromme kerk leek te wijzen: Nispen. Helaas is dat gebouw niet meer voor nader onderzoek beschikbaar. Elders in Brabant moet eens op dergelijke „knikken” gelet worden! Ook bij opgravingen in kerken verdient de vraag aandacht of de as van de oude bouwfasen wel precies die van de eventueel nog bestaande kerkruimte is.”

Afbeelding 4: Strijen

De dorpskerk van Strijen bevat ook een knik in de aslijn (west-oostlijn) die afbuigt naar het noorden. Een knik die te verklaren is uit de herhaaldelijke verzakkingen, reparaties en verbouwingen. Vanaf de 17e eeuw waren er dakreparaties. In 1851 werd bij de aanbouw van het noordtransept een groot deel van de noordgevel van de kerk afgebroken. Bij de restauratie van 1926 werd de consistorie aan de zuidoosthoek van de kerk verwijderd en het gehele dakgewelf vernieuwd. Van west naar oost loopt door het kerkgebouw in het midden van het houten gewelf de naald (nokrib). Deze nokbalk heeft vanaf het begin van het koor een afwijking naar het noorden. Ook het uitwendige kerkgebouw vertoont, zichtbaar op satellietbeelden van google (zie afbeelding), aan de zuidmuur van het koor een afwijking naar het noorden. Een eenvoudige verklaring dus voor de afwijking in de zuidmuur en de nokrib van het koor is dat bij reparaties en nieuwbouw het koor en het koorgewelf niet meer op één lijn te krijgen was met de rest van het kerkgebouw!

Van Brabant en Zuid-Holland gaan we naar het hoge noorden. In het Groningse Bedum is bij de bouw van het romano-gotisch koor van de oorspronkelijke romaanse Walfriduskerk en bij de bouw van het gotische koor van de aslijn naar het noorden afgeweken. Het koor van de kerk van Engelbert wijkt ten opzichte van het schip opvallend naar het noorden af. De Nicolaaskerk van Appingedam is in haar geheel onregelmatig. Ook de plattegrond van het naburige Stapelmoor in Oostfriesland doet twijfel rijzen aan de door de middeleeuwse bouwers betrachte precisie.” H.G. Olde trekt een opmerkelijke conclusie: “Nu is het opmerkelijk dat in verslagen door tijdgenoten van de bouw van kerken niet zelden uitvoerig wordt stilgestaan bij het uitzetten van de kerk, het met meetlat en meetsnoer bepalen van de afmetingen en het leggen van de fundamenten, maar dat met geen woord gewag wordt gemaakt van de manier waarop het oosten wordt bepaald. Of de dag van de patroonheilige een rol speelde, vernemen we evenmin.”

Een ander aan de oosting van kerken verwant fenomeen is het begraven van gestorvenen is oost-westelijke richting, met het hoofd in het westen en de voeten naar het oosten.

Geraadpleegde en gebruikte literatuur:

Jan Buysens, De ‘christelijke’ politiek van Constantijn, 2011.

Eusebius van Caesarea, Leven van Constantijn (Vita Constantini) na 337.

Tertullianus (leefde ca. 160 – ca. 230), Apologeticum (verdediging) en De Oratione (gebed).

Didascalia Apostolorum, onbekende schrijver, omstreeks 230.

Franz Joseph Dölger, Sol Salutis, Gebet und Gesang im christlichen Altertum, 1920.

Wilhelmus Durandus, Rationale divinorum officiorum, 1296.

Johannes Beleth, Summa de Ecclesiasticis Officiis (bron voor de christelijke liturgie in zijn tijd), 1162.

Harm G. de Olde, De oosting van de middeleeuwse Groninger kerken, 1997

William Alexander Laurie, The History of Free Masonry and the Grand Lodge of Scotland (Edinburgh/ London/ Calcutta, 1859

Joseph Albert Alberdingk Thijm, De Heilige Linie, 1858.

Heinrich Otte, Grundzüge der Kirchlichen Kunst-Archäologie, Leipzig, 1883.

J.L. Van Daalen, De groote kerk te Dordrecht (onze lieve vrouwenkerk), 1927.

Alec Clifton-Taylor‚ English Parish Churches as Works af Art, Londen, 1974.

Joseph Sauer, Symbolik des Kirchengebäudes und seiner Ausstattung in der Auffassung des Mittelalters, Freiburg 1924.

Jan Kalf, De monumenten in de voormalige baronie van Breda, ‘s-Gravenhage, 7 November 1911.

K.A.H.W. Leenders, Kompas en kerkoriëntatie, 1981.

Drs. J.P. Bijl, Strijen, 2020.

Updated: juli 19, 2020 — 9:38 am

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.