Volksleven Oud-Beijerland (deel 3)

Dit artikel is gepubliceerd in de Hoeksche Waard Exclusief van 24 augustus 2021 (website HWE). U kunt dit artikel downloaden in PDF-formaat: hwe-aug2021-deel3-volksleven-obl

In december 1964 publiceerde het Neerlands Volksleven het artikel ‘Volkskunde van Oud-Beierland’ (gevolgd in 1966 door reacties en correcties). Een door L. Verhoeff opgetekende getuigenis van diverse zegslieden uit het dorp, voornamelijk met betrekking tot de periode 1900 tot 1920. In deze driedelige serie publiceren we een samenvatting van de volkskundige bijzonderheden van het dorp (en de Hoeksche Waard), van ruim een halve eeuw geleden.

Toenamen

Heel gewoon was het, personen nader aan te duiden met de naam van hun vader of moeder. Zo had men bijvoorbeeld Arie van Keeze (zijn vader heette Kees), Jan van Kniere (zijn moeder heette Knier) en Neel van Yte (haar moeder heette Ida). Dit procedé werd ook wel dubbel toegepast, bijvoorbeeld: Arie van Kees van Kobeze (Arie van vader Kees, van grootvader Kobus) en Toon van Jacob van Mietjies (Toon van vader Jacob, van grootmoeder Mietje). Soms werd de bijnaam van de vader erbij gevoegd, bijvoorbeeld: Kees van Jaep van de Trappies (Kees’ vader Jaap woonde in een huis met een trap). Zo konden ook bijnamen ontstaan, bijvoorbeeld: Piet d’n Deep (Piets moeder heette Debora, afgekort Deepie; Piet werd dus Piet van Deepies genoemd; dit werd later Piet d’n Deep en deze bijnaam ging ook op zijn zoons over). Voor 1811 was dit voor Joden de gebruikelijke naamgeving; in het oudste archiefboek van de gemeente Oud-Beijerland vinden we namen als: Jacob van David en Simon van Jonas. Ook met plaatsaanduiding: Wolf Klaaswaal, Josef Hitsert en Meyer Strien. De vlasarbeiders heetten, zei men, allemaal Arie of Kees, vandaar dat men sprak over Vlas-Aaien en Vlas-Keezen. De Brabantse arbeiders, die op de suikerfabriek seizoenarbeid verrichten, noemde men oliekonten, de griendwerkers werd grienduilen genoemd.              

Dialektische woorden

Het dialect verschilde sterk per plaats en binnen de plaats ook nog per wijk. ,,Wat ze vroeger op de Achterstraat zeiden, zeiden ze nog niet op de Molendijk, want de Molendijk was deftiger. En op de Oostdijk praatten ze achteraan platter dan vooraan. Die wonen nog voorbij Stijne, je ken ‘t hore”. Zo zeiden ze op de Molendijk tegen duimen: duijme (rijmend op het Hoogduitse Bäume), maar op de Achterstraat zeiden ze echt: doime. En als ze dan deftig wilden praten zeiden ze daeme. Niet alleen was de uitspraak van bepaalde klanken verschillend van dorp tot dorp, ook waren er hier en daar verschillende woorden voor eenzelfde begrip. Zo zei men in Oud-Beijerland tegen de bloemaren van de Lisdodde Poele, in Westmaas Pielepote. Een paardenbloem noemde men respectievelijk Zoidissel en Zuurdesel. Klaprozen werden ‘kankerblomme’ genoemd, ze werden als bijzonder giftig beschouwd.      

Oud-Beijerland of Oud-Beierland

Het gemeentewapen toont de herkomst van de naam. De officiele omschrijving luidt: ,, Parti, het eerste van goud, beladen met vier kepers van keel; het tweede gelozanjeerd van lazuur en zilver”. Dit betekent: verticaal doormidden gedeeld met links vier rode dakvormige figuren in een gouden veld en met rechts spitse ruiten, beurtelings zilver en blauw. Met vergelijke hiermee Beieren (Duitsland): ,,Von silber und blau geweckt”. Het wapen van Nieuw-Beierland is hetzelfde als dat van Beieren”,,Gelozanjeerd van lazuur en zilver”. Dat van Zuid-Beierland is daarvan een variatie: ,,Gelozanjeerd van lazuur en goud”. Van vele zijden werden we erop geattendeerd, dat de spelling van de naam van het dorp ‘Oud-Beijerland’ moet zijn (met een lange ij). Met vertelt, dat deze spelling oorspronkelijk is gekozen om aanspraken van het Koninkrijk Beieren op de nieuw gewonnen polder te voorkomen. Ook wel omdat Sabina haar naam spelde als Sabina von Bayern; de ij zou dan de vervanging van de y zijn. Zoals bekend bestaat er geen officiële spelling van de Nederlandse plaatsnamen, maar de semi-officiële in 1936 uitgegeven Lijst van Aardrijkskundige Namen spelt de naam als Oud-Beierland.   

Straten in het dorp

Het Touwslagerspad werd vroeger ook wel de Baan genoemd, net als 21 (zie afbeelding). Het liep van de Benedenmolendijk (6) tot aan het Zandpad (35), evenwijdig aan de Zinkwegsedijk (2). Van Kerkstraat (36) naar Achterstraat (37) loopt honderd meter zuidelijk van de Benedenmolendijk (6) nog een straatje , vroeger Ovenslop of Overslop geheten, thans Middelstraat. Van de huidige Karel Doormanstraat (35) heette het deel van Achterstraat (37) tot Zinkwegsedijk (2) vroeger Zandpad (De Zandpad zei men); het deel tussen Achterstraat en Vlietkade (32) heette Schoolstraat. Het Stenenpad, thans Julianastraat (22) heette nog vroeger het Geldeloze Pad. Op het kaartje staat nr. 19 abusievelijk als Kwakseweg aangegeven, dit moet zijn Croonenburgh. De Kwakseweg liep hieraan evenwijdig, doch meer zuidelijk. Langs deze Kwakseweg , aan de zuidzijde, en langs de oostzijde van de Langeweg (18) liepen vroeger aan de overzijde van de sloot zogenaamde kerkepaadjes; deze verdwenen na de verharding van de polderwegen in 1868. De Scheepmakershaven (14) heette in de volksmond de Meestoof. Het Achterspui (4), uitgesproken als Achterspoi, het tegenwoordig Gedempt Spui. Er waren verder vrij veel nauwe slopjes, die toegang gaven tot een aantal kleine huisjes, die ‘achteraf’ waren gebouwd. We noemden eerder de slopjes Achter Adam en Achter Bakker van der Linden. Verder had men nog het Kippeslop, de Kuip, het Mesjienslop, de Kerkring en de Pillesteeg. De meeste van deze huisjes zijn verdwenen of verbouwd tot bergplaatsen.                 

In een kader:

25 dialectische woorden

Beschie – misschien

Op de bollefooi – op goed geluk

Bonk – grote donkere wolk

Daatjeskerk – oud-gereformeerde kerk, gesticht door ene Daatje Mast

Doivelsbrood  – paddestoel

Erreges op figerle – ergens op hopen

Floiter – aan de buitenkant schijnaar gave aardappel, van binnen hol

Glad – helemaal (ben je nou glad gek?)

Hooistoof – knotwilg

Horentoren – wesp (of nijdig wijf)

Koerenmassemaaie – op de schouders dragen

Lendeschot – spit

Loebes – grote flauwe vent

Maaieschijter – bromvlieg

Meulenaar – meikever

Ootjie – oude vrouw, besje. Ook schertsend tegen kleine meisjes. Een mal kind noemde men Ootjie Knar.

Overmaes – het dialekt van de Hoeksche Waard

Passies – eventjes

Pijnstere – pinksteren

Porsinge – buikkramp

Reutjiepepeu – alles door elkaar (spijzen). Betekende ook slechte stof, rommel.

Rouwdares – slordig mens

Spansel – omslag van een schrift of boek

Verdeur – voor de deur, buiten (ga maar verdeur spelen)

Weeg – muur en wand (van hout)

Updated: augustus 30, 2021 — 7:13 pm

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.