1820 – Kadastrale kaarten

In 1810 wordt Nederland ingelijfd bij Frankrijk, met als gevolg dat de grondbelasting wordt ingevoerd. Voor die belasting wordt gestart met opmeten, schatten en tenaamstelling van grondeigendom. Daarmee begint de opbouw van het Kadaster. Sinds 1832 bestaat het Kadaster officieel.

Alvorens het kadaster op 1 oktober 1832 kon worden ingevoerd, was een lange tijd van voorbereiding nodig. Er moest een indeling komen in kadastrale gemeenten, de gemeenten zelf moesten in secties worden verdeeld en binnen de secties moesten op hun beurt de percelen worden aangewezen, opgemeten en – letterlijk en figuurlijk- in kaart worden gebracht.

De basis waarop het kadaster werd georganiseerd was de kadastrale gemeente. De vaststelling van de grondslag van het kadaster gebeurde in een aantal fasen. Eerst werden de grenzen van de kadastrale gemeenten vastgesteld, waarna de gemeenten in secties werden verdeeld.

De verzamelkaart geeft een overzicht van de indeling van de gemeente in secties en kaartbladen. Vermeld staan begrenzing, letteraanduiding en naam van elke sectie, plus in voorkomende gevallen de bladindeling van de sectie. Afhankelijk van de oppervlakte van de gemeente is het verzamelplan getekend op schaal 1 : 5.000, 1 : 10.000, 1 : 20.000 of zelfs nog kleiner. De verzamelkaarten zijn altijd gedateerd.

Download Verzamelplan Piershil 1820 (Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed)

Kadastrale kaart 1811-1832: verzamelplan Piershil, Zuid-Holland (MIN08163VK1), Gemeentecode 08163, Objectnummer MIN08163VK1, Provincie Zuid-Holland, Gemeente Piershil.

Gedateerd 1820; Onder de administratie van de schout M.M. Schepman (zie 1825-1844 – Mattheus Marinus Schepman)

De ligging en de begrenzingen van de percelen werden op kaarten vastgelegd, de zg. minuutplans, die per sectie werden getekend. De minuutplans omvatten de verzamelkaart van de gemeente en de perceelskaarten per sectie, eveneens minuutplans genoemd. De minuutplans werden tussen 1812 en 1832 getekend en waar nodig tussentijds bijgewerkt. In de minuutplans mochten na 1 oktober 1832 geen wijzigingen meer worden aangebracht. Zodoende weerspiegelen de minuutplans de situatie op het moment van de oprichting van het kadaster, 1 oktober 1832. De plans zijn niet gedateerd. Het tekenen van de minuutplans gebeurde echter kort voor het moment waarop de verzamelkaarten gemaakt werden. Doel van de perceelsgewijze minuutplans is het weergeven van de ligging en begrenzingen van de percelen, die elk van een uniek eigen nummer zijn voorzien. De perceelsgrenzen zijn getekend als ononderbroken strepen. Behalve percelen grond en water staan ook gebouwen op de minuutplans. Hoort een gebouw bij een perceel grond waarbinnen het is getekend, dan is er een dun pijltje doorheen gestippeld. Dat betekent dat gebouw en grond bij elkaar horen en onder één nummer zijn gevat. In de ‘Oorspronkelijke Aanwijzende Tafel’ (waarover zo meer) wordt een dergelijk perceel bijvoorbeeld beschreven als ‘huis en erf’. Doorgaans zijn bijzondere bouwwerken als kerken en molens ook als zodanig herkenbaar getekend. Op de minuutplans staan dunne lijnen getrokken. Deze zijn onderdeel van een coördinatenstelsel in de vorm van een netwerk van vierkanten, het zg. ‘ruitennet’. De ruiten maken het mogelijk percelen snel op het minuutplan terug te vinden; links op het plan zijn de ruiten van boven naar beneden met letters gekenmerkt, bovenaan van links naar rechts met cijfers. Een perceel kan dus altijd via de ruitcoördinaat op het plan worden teruggevonden. De kleuren op de plans hebben vaak een betekenis. De grens van de gemeente is altijd paars. Ook de sectiegrenzen zijn aangegeven met gekleurde biezen. Gewone gebouwen zijn lichtrood (karmijn), wegen bruin (gebrande sienna), wateren blauw (ultramarijn) en gebouwen die vrijgesteld waren van grondbelasting, zoals kerken, kobaltblauw.

Download minuutplans Piershil (Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed)

Kaart 1:
Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed; Kadastrale kaart 1811-1832: minuutplan Piershil, Zuid-Holland, sectie A, blad 01 (MIN08163A01)

Kaart 2:
Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed; Kadastrale kaart 1811-1832: minuutplan Piershil, Zuid-Holland, sectie A, blad 02 (MIN08163A02)


Kaart 3:
Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed; Kadastrale kaart 1811-1832: minuutplan Piershil, Zuid-Holland, sectie A, blad 03 (MIN08163A03)


Kaart 4:
Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed; Kadastrale kaart 1811-1832: minuutplan Piershil, Zuid-Holland, sectie A, blad 04 (MIN08163A04)


Kaart 5:
Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed; Kadastrale kaart 1811-1832: minuutplan Piershil, Zuid-Holland, sectie A, blad 05 (MIN08163A05)


Kaart 6:
Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed; Kadastrale kaart 1811-1832: minuutplan Piershil, Zuid-Holland, sectie A, blad 06 (MIN08163A06)


Kaart 7:
Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed; Kadastrale kaart 1811-1832: minuutplan Piershil, Zuid-Holland, sectie B, blad 01 (MIN08163B01)


Kaart 8:
Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed; Kadastrale kaart 1811-1832: minuutplan Piershil, Zuid-Holland, sectie B, blad 02 (MIN08163B02)


Kaart 9:
Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed; Kadastrale kaart 1811-1832: minuutplan Piershil, Zuid-Holland, sectie B, blad 03 (MIN08163B03)


Kaart 10:
Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed; Kadastrale kaart 1811-1832: minuutplan Piershil, Zuid-Holland, sectie B, blad 04 (MIN08163B04)         

Met het in kaart brengen van de kadastrale gemeenten werd de belastbare opbrengst van de percelen vastgesteld. Een zg. ‘controleur’ van de grondbelasting bezocht een hem toegewezen gemeente. Door de burgemeester, samen met de door deze benoemde ‘aanwijzers’ en met de door de koning aangestelde schatters, werden alle percelen in het kadaster opgenomen, op hun waarde onderzocht en in klassen ingedeeld. De hoogte van de belastingaanslag hing nauw samen met de opbrengst en daarmee ook met het gebruik van onroerend goed. Om deze reden werden zaken die van grondbelasting waren vrijgesteld door de landmeters van het kadaster veel globaler in kaart gebracht. Voorbeelden hiervan zijn kerkelijke bezittingen, scholen, begraafplaatsen, goederen bestemd voor de armenzorg en openbare gebouwen.Water en wegen in eigendom van de overheid werden zelfs niet eens geperceleerd.

Alle gegevens die in de voorgaande jaren waren verzameld werden in 1832 vastgelegd in de Oorspronkelijke Aanwijzende Tafels (OAT). De OAT is per gemeente en per sectie ingericht. In deze registers staan per perceel de eigenaar en vruchtgebruiker, de soort bebouwing, oppervlakte, klasse en belastbare opbrengst vermeld. De OAT’s geven de situatie weer op het moment van de invoering van het kadaster in oktober 1832. Evenals in de minuutplans mocht in de OAT’s niets worden gewijzigd.

Op basis van de OAT werd in 1832 de oudste perceelsgewijze of kadastrale legger samengesteld. De oudste leggers geven samen met de OAT’s en de minuutplans de situatie weer op het moment van oprichting van het kadaster, 1 oktober 1832. In de leggers mochten wél wijzigingen worden aangebracht. Vanaf 1 oktober 1832 tot op heden is de legger in gebruik gebleven.

OAT’s Piershil (Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed)

Updated: juni 1, 2024 — 4:05 pm

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.